Verhaal · 4 minuten lezen · 10 augustus 2026
Een lange tafel in de Valpolicella
Hoe een Italiaans diner is opgebouwd — en welke wijn er bij elke gang op tafel komt.
Een Italiaans diner is geen gerecht met een wijn erbij. Het is een reeks, en de wijn beweegt mee.
Aperitivo
Het begint buiten, staand, met iets in de hand. Een Prosecco Superiore of een frizzante, en daarbij olijven, wat kaas, misschien gefrituurde salie. Niemand zit nog.
Antipasti
Als iedereen aanschuift komt de plank op tafel. Salumi, gegrilde groente in olie, bruschetta. Hier gaat de bubbel door, of je stapt over op een lichte rode wijn — een Valpolicella Classico, licht gekoeld. Dat laatste vinden Nederlanders vaak vreemd. In Veneto niemand.
Primo
De pasta of risotto. Met tomaat: iets met zuur, zoals Barbera of Chianti. Met room of boter: een witte wijn met textuur, een Lugana of een gerijpte Verdicchio.
Secondo
Nu pas komt het vlees, met een simpele bijgerecht ernaast. Dit is het moment voor de Ripasso, de Rosso Conero, de Vino Nobile.
Formaggi
De kaas komt vóór het dessert, niet erna. Een oude Parmigiano vraagt om een Amarone; blauwe kaas om iets zoets.
Dolce
Amandelgebak, of gewoon fruit. Een Recioto, of een zoete spumante.
Wat je hiervan meeneemt
Je hoeft niet zes flessen open te trekken. Maar de gedachte erachter — de wijn volgt het eten, niet andersom — maakt elke maaltijd beter. Begin licht, bouw op, eindig zoet.




